In de in deze column besproken casus uit de jurisprudentie is het pachtrecht verstrengeld geraakt met het erfrecht en worden de sferen van artikel 7:366 BW betreden. Dat leidt, zowel pachtrechtelijk als erfrechtelijk gezien, tot bijzondere problemen.
De pachter is dood, lang leve de pachter!
In mijn eerste agrarisch-rechtelijke bijdrage voor deze nieuwsbrief vraag ik graag aandacht voor de merkwaardige verhouding tussen het pachtrecht uit boek 7 en het erfrecht uit boek 4 BW. Directe aanleiding hiervoor vormt de uitspraak van Hof Arnhem Leeuwarden (het ‘Pachthof’) van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:9317). Dit geschil speelt zich af rondom een overleden pachter en diens erfgenamen.
De pachtrechtelijke regel van artikel 7:366 lid 1 BW houdt in dat de dood van de pachter of de verpachter de pacht niet doet eindigen. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen het pachtrecht van boek 7 en het erfrecht van boek 4 BW. Het pachtrechtelijke uitgangspunt is dat de pacht doorloopt na overlijden van de pachter of de verpachter. Dit betekent echter niet dat het overlijden van een van partijen de pachtverhoudingen geheel onberoerd laat. Dat blijkt duidelijk uit de door het Pachthof berechte casus.
Bezwaren verpachter tegen erfgename pachter
Voor een goed begrip breng ik de casus terug tot de kern. De pachter pachtte ruim 16 hectare grond van ASR. Hij is in maart 2019 overleden. Zijn erfgenamen zijn twee zussen en de twee kinderen van zijn broer. Een van hen is door de erven aangewezen om de pachtrelatie met ASR voort te zetten. Dat wil zeggen: dus met behoud van alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de reeds bestaande reguliere pachtovereenkomst. ASR heeft bezwaren tegen deze erfgename. ASR vindt ook dat het bedrijf dat deze erfgename heeft niet voldoet aan de eisen van bedrijfsmatige landbouw. ASR wenst daarom de pachtovereenkomst tussentijds te beëindigen. Het Hof vindt de bezwaren van verpachter ASR redelijk.
Geen van de erfgenamen is geschikt als pachter
Nu de bezwaren van de verpachter dus redelijk zijn, blijven de vier erven (mede)pachter conform de hoofdregel van artikel 7:366 lid 1 BW. Bijkomend probleem is echter nu, dat vervolgens in de procedure blijkt dat de overige drie erfgenamen ook niet door de pachtrechtelijke ‘ballotage’ komen (r.o. 3.6). Dat leidt tot een gat in de regeling van artikel 7:366 BW, want geen van de erfgenamen kan de pachtrechten toegedeeld krijgen. Dit gat dicht het Hof via het algemene verbintenissenrecht, dat sinds 1 september 2007 (de datum van opname van de pachtwetgeving in titel 7.5 BW) als onderdeel van de gelaagde structuur van het BW ook invloed uitoefent op het pachtrecht. Artikel 6:258 BW vormt hier de verbintenisrechtelijke sleutel.
Pachtovereenkomst ontbonden
Er is dus geen erfgenaam die voldoende waarborgen biedt om de overleden pachter op te volgen. Dat bestempelt het Hof als een onvoorziene omstandigheid op basis waarvan de pachtovereenkomst kan worden ontbonden. Een andere specifieke wijze van beëindiging in dit soort situaties is er – zo constateert het Hof terecht – niet. Het Hof bekrachtigt dan ook de ontbinding van de pachtovereenkomst met toepassing van artikel 6:258 BW. Met dit oordeel kan ik mij verenigen.
Pachtrecht aan herziening toe
Het oordeel van het Hof laat nog maar eens zien dat de huidige regeling van het pachterfrecht in diverse opzichten ongelukkig is vormgegeven: er is een algemeen verbintenisrechtelijk leerstuk nodig om een specifiek pacht(erf)rechtelijk probleem op te kunnen lossen. Natuurlijk is deze werkwijze een mooi voorbeeld van de gelaagde structuur binnen het BW. Maar het is specifieke pachtrechtelijke problematiek. Daarom zou het de wetgever sieren om hier, binnen de kaders van titel 7.5 BW, een speciaal op de pachtrechtelijke verhoudingen toegesneden regeling te treffen.
Tot slot
Het moge duidelijk zijn: na lezing van de hofuitspraak van 5 oktober 2021 is de exacte reikwijdte van het pacht-erfrechtelijke artikel 7:366 BW enigszins verduidelijkt. Maar het artikel is nog steeds niet volledig duidelijk. Een wezenlijke hervorming van het pachtrecht is dus (ook) op dit punt hard nodig. Helaas staat het dossier ‘pachtherziening’ al geruime tijd in de parlementaire ijskast. Zodra het nieuwe kabinet de pachtrechtelijke handschoen durft op te pakken, lijkt de tijd rijp voor de gewenste verduidelijking en hervorming van (onder meer) het pachterfrecht. Daardoor zullen geschillen als in de besproken casus tot het verleden behoren. En hoeven ze niet meer via ‘kunstgrepen’ uit het algemene verbintenissenrecht te worden opgelost.
prof. mr. J.W.A. Rheinfeld is vennoot bij FBN Juristen te Amsterdam, vennoot bij het Instituut voor Agrarisch Recht te Wageningen, bijzonder hoogleraar agrarisch recht aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair docent agrarisch recht aan de Radboud Universiteit.






