In deze column besteedt prof. mr. J.W.A. Rheinfeld, vennoot bij IAR Wageningen aandacht voor de in het Belastingplan 2023 aangekondigde (verdere) verhoging van het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting. Speciale aandacht is er voor de agro-fiscale consequenties van deze (naar zijn mening) onzalige politieke keuze.
Verhoging van het algemene overdrachtsbelastingtarief
Nog maar net bekomen van de per 1 januari 2021 doorgevoerde algehele verhoging van het algemene overdrachtsbelastingtarief van 6% naar 8% (art. 14 lid 1 WBR) voor alle verkrijgingen van onroerende zaken, met uitzondering van door de verkrijger(s) als hoofdverblijf bewoonde woningen, werd het notariaat -en dus ook de agro-notarieel specialist – in het Belastingplan 2023 getrakteerd op een nieuwe episode in deze fiscale soap. Het kabinet gaat namelijk, om belegging in onroerende zaken, met name in woningen, tegen te gaan, nog een stapje verder. Het voornemen bestaat om het algemene tarief nog verder te verhogen van 8% naar dubbele cijfers: 10,4%. Een verhoging van de al eerder bekendgemaakte verhoging dus. In de Voorjaarsnota was overigens nog een verhoging tot 10,1% aangekondigd. Daar is op Prinsjesdag dus nog 0,3% extra bijgekomen. Deze extra verhoging wordt doorgevoerd per 1 januari 2023.
Welke motivering is er voor de ',4' achter de 10?
Los van het feit dat ik benieuwd ben welke motivering er is voor de ‘,4’ achter de 10 (ik zou het dan maar, om praktische redenen, afronden op 11%), is de reden voor de tariefsverhoging zelf een eenvoudige: het dekken van de kosten van herstel op grond van het ‘box 3 arrest’ (ECLI:NL:HR:2021:1963). Het is overigens nog maar zeer de vraag of de categorie verkrijgers van onroerende zaken die niet onder het verlaagde tarief kunnen vallen op de wijze moeten boeten voor het benodigde rechtsherstel in box 3. Dit nog los van de kwestie dat het rechtsherstel op deze wijze een hoog ‘sigaar uit eigen doos (of beter: box)’-gehalte zal hebben.
De effecten in de agrarische (vastgoed)praktijk
Net als de verhoging per 1 januari 2021 zal ook deze tweede tariefwijziging per 1 januari 2023 de nodige effecten in de agrarische (vastgoed)praktijk hebben. De groep ‘overige verkrijgers’, waaronder onder meer de beleggers in agrarisch vastgoed en de rechtspersonen die onroerende zaken verkrijgen, zullen reeds geplande en nog te plannen overdrachten uiterlijk op 31 december 2022 willen afwikkelen, om op deze wijze het draconische 10,4 %-tarief te kunnen ontlopen. De druk op de notariële eindejaarsagenda’s, die traditioneel overvol zitten (hoewel de recente stijging van de hypotheekrente wel wat druk van de notariële ketel zal halen, zo is mijn verwachting), zal hierdoor waarschijnlijk alleen maar verder toenemen.
prof. mr. J.W.A. Rheinfeld , vennoot bij het Instituut voor Agrarisch Recht te Wageningen, bijzonder hoogleraar agrarisch recht aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair docent agrarisch recht aan de Radboud Universiteit, vennoot bij FBN Juristen te Amsterdam.
De agro-fiscalist
De agro-fiscalist die zijn of haar cliënt niet tijdig naar de (agri-)notaris heeft gestuurd kan waarschijnlijk, bij het verschijnen van de notariële nota van afrekening waarop het (wederom) verhoogde algemene tarief voor de overdrachtsbelasting prominent vermeld staat, op zijn minst op diens ontstemde reactie (en mogelijk zelfs een tuchtklacht) rekenen, zo schat ik in. Dat was 1,5 jaar geleden ook al het geval, in een tijd waarin een algemeen tarief van 8% nog hoog leek en men eind 2020 nog snel even de notaris bezocht om de toen gunstige 6% ‘te kunnen claimen’. Nu, ruim 1,5 jaar na de introductie van deze eerste verhoging, voorspel ik een fiscale ‘eindejaarssprint’, bedoeld om het nu gunstige 8% tarief nog te kunnen benutten. Het kan verkeren….
De ‘aanhorighedendiscussie’
de zogeheten ‘aanhorighedendiscussie’ zal per 1 januari 2023 een nog groter fiscaal belang krijgen dan thans al het geval is. Voor aanhorigheden bij de woning, dus ook voor agrarische aanhorigheden, geldt het verlaagde 2%-tarief, mits deze aanhorigheden tegelijk met de woning worden verkregen. Later verkregen aanhorigheden vallen onder het algemene tarief, zo blijkt ook uit de tekst van art. 14 lid 5 Wbr. Een goede notariële regie en ‘timing’ van de verschillende aktes is in dit verband dus cruciaal. Per 1 januari 2023 levert de aanhorigheidsstatus die aan de ‘gelijktijdige verkrijgingsvoorwaarde’ voldoet dus een ‘voordeel’ van 8,4% op.
Tot slot
Tot slot spreek ik de wens uit dat ik de komende jaren niet een vervolg op deze column hoef te schrijven: een nog verdere verhoging van het algemene tarief in de overdrachtsbelasting zou mijns inziens een ongewenste hindernis opwerpen voor onder meer de grondmobiliteit in de agrarische sector, vooral in combinatie met de stijgende (hypotheek)rentes. Ook in internationale zin zitten we met een tarief 10,4 % aan de bovenkant (zie voor een overzicht van tarieven in diverse landen https://taxsummaries.pwc.com/). Het is dus wel (even?) voldoende zo.
prof. mr. J.W.A. Rheinfeld is vennoot bij het Instituut voor Agrarisch Recht te Wageningen, bijzonder hoogleraar agrarisch recht aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair docent agrarisch recht aan de Radboud Universiteit, vennoot bij FBN Juristen te Amsterdam.






